Kort verhaal: mijn laatste banden

Met ratelend spatbord fiets ik door de stad. Zo nu en dan stoot mijn bel een felle gil uit en ik produceer piepende roestgeluiden. Zo klinkt mijn klaagzang. Zoals een Arabische vrouw luidruchtig treurt om haar kind dat door weer een aanslag is verminkt of omgekomen. Ik strek alleen mijn handen niet naar de hemel uit en laat mijn tranen niet rollen. Dat kan ik niet. Ik moet het slechts doen met het materiaal dat voorhanden is. En telkens als ik door de stad moet gaan, Twijnstraat, Oudegracht, Geertestraat, Springweg, zie ik het met lede ogen aan. Ik kan niet abrupt tot stilstand komen en redden wat er te redden valt. Elke doordeweekse dag moet ik op volle snelheid verder naar de plek waar de schade het grootst is: Utrecht Centraal Station. Dat is waar het geschreeuw, het remgeknars oorverdovend zou moeten zijn, maar we staan er juist stilzwijgend in chaotische rijen. Soms zelfs boven elkaar gestald, als in een overvol winkelmagazijn. Met velen tegelijk op een hoop gekwakt. Gedegradeerd tot een berg van rubber en metaal. Het is fietsonterend.

Ik kom uit een klein dorp waar het aangenaam was fiets te zijn. Er liepen brede paden van rood asfalt door de bossen in de buurt. Geregeld maakte ik daar tochten. Soortgenoten die mij tegemoet kwamen of inhaalden maakten een geoliede, onderhouden indruk. De wielen maakten een soepel spinnend geluid, de frames glommen en de remkabels waren volledig in takt. Er waren ook wel tweewielers die ietwat verwaarloosd en verroest oogden, maar ze waren zeldzaam. Exemplaren waarbij een hangslot om het stuur of zadel hing, werden met een meelijdende blik door mij nagekeken. Op warme zomeravonden werd ik onbewaakt en slotloos achtergelaten tegen een boomstam, terwijl de mensen op geruite kleden in het gras zaten. Bij regen deed men een speciaal voor mij aangeschaft beschermhoesje om mijn zadel. Na een lange rit weer thuisgekomen werd ik bij enkele anderen in een schuurtje gezet. ’s Nachts was het daar veilig en rustig. Vanaf het plekje waar ik altijd stond, kon ik bij heldere hemel de maan zien.

Ongeveer een jaar geleden gebeurde het. Ik dacht naar een vakantieoord te worden meegenomen, want ik werd, zoals wel vaker, aan het einde van de maand juni stevig op een ijzeren constructie achterop de volgepakte auto geplaatst. Ik zou de bossen en het schuurtje echter nooit meer terug zien. Direct die zondagochtend werd ik buiten tegen een vochtige muur gezet. Een gloednieuw Axa slot priemde door mijn achterwiel en mijn voorwiel werd hardhandig met een loodzwaar schakelslot aan een regenpijp geketend. Ik werd aan banden gelegd en vanaf dat moment zou alles anders zijn.

Aanvankelijk dacht ik dat het niet waar kon zijn. Vol ongeloof zag ik tijdens mijn haastige tochten naar het Centraal Station de fietsen afgemat langs de straatkant staan. Op de meest aftandse plekken werden ze geplaatst en op slot gezet. Wielen hingen scheef rond hun assen en kettingen hingen open en bloot om afgestompte tandwielen. Op een dag zag ik een verwaarloosde Batavus met een wielloze voorvork aan een dunne kabel boven de gracht bungelen. Een koude rilling liep van mijn achterlicht naar mijn stuur. Niet veel later waren het alleen nog de noodlottigen onder ons die me in het oog sprongen. Fietsen die vergroeid waren met hun stalling, fietsen die andersom bovenaan lantaarnpalen waren bevestigd, fietsen waarvan ik hoorde dat ze waren vergaan op de bodem van de gracht. Zachtjes ben ik toen begonnen met ratelen.

In september was er een bak van zwart plastic aan mijn voorzijde gemonteerd, waardoor mijn stuur niet meer recht stond. In oktober botste ik tegen een Postcode Loterij fiets en liep ik een permanente slag in mijn achterwiel op. Het werd winter. Enkele nachten stond ik eenzaam in de vrieskou, terwijl de sneeuw steeds ietsje zwaarder op me ging liggen. Voor het eerst voelde ik de schaamte van de bij nacht lukraak aan mijn lichaam gehangen lampjes. Mijn altijd op orde gehouden verlichtingssysteem werkte niet meer en werd dus vervangen door jeukende, oneigen onderdelen. Niet veel later zat er een gapend gat in mijn jasbeschermer, vervolgens werden mijn velgen in een afzichtelijke kleur overgespoten en zo heeft mijn fysieke teloorgang zich langzaam voorgezet. Ik ben een wrak, een ruïne. Ik fiets op mijn laatste banden. Toch weet ik dat er soortgenoten zijn die het erger getroffen hebben dan ik en daarom ratel, brul, tingel, klaag ik door de straten. Ik houd mijn blik strak voor me uit gericht, want al die afgeschreven tweewielers kan ik niet meer aanzien. Utrecht is een fietsenhel, Utrechters zijn Satans.

Over enkele weken word ik afgedankt. Mijn berijder heb ik al menigmaal tegen een ander mens horen zeggen (terwijl ik ernaast stond!) dat ik “mijn beste tijd wel heb gehad” en dat ik “minder dan een barrel ben”. Hij heeft gelijk, maar het is zijn eigen schuld. Vroeger stond ik op de eerste zonnige lentedag van het jaar nog wel eens naast de auto, werd ik met een tuinslang afgespoeld en met een klein handdoekje afgedroogd. Daarna stond ik gelukzalig te glunderen op de oprit. Vroeger werd er soms smeerolie tussen mijn trappers gespoten. Vroeger. Ach ja… vroeger.

Ik kan slechts op u hopen. Misschien is er, ergens in de krochten van deze stad, nog een mens te vinden die over een grammetje sympathie beschikt. Ik ben een zwarte herenfiets. Een Gazelle Impala uit het jaar 1989. Authentiek. Geen handremmen, geen versnellingen. ’s Nachts sta ik aan de Nicolaasstraat 18. Mijn hangslot is sinds kort roze, maar dat maakt het er niet bepaald makkelijker op. Ik sta naast een witte voordeur tegen de muur. Het hoeft niet lang te duren. Een betonschaar is snel gekocht en ik zal zwijgend glimlachen als ik word ontvreemd. Mijn enige wens is nog eens op een zonnige dag zonder slot en onbewaakt bij een open plek in het bos te staan. De wind gaat vredig liggen, de zon gaat langzaam onder, mijn ziel komt zacht tot rust.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *