de Man met de Pen in Het Parool

Op 23 oktober 2017 staat er een column van Guus Luijters in Het Parool. Het gaat over het mooie kustdorp Callantsoog en het einde van het badseizoen.
Tot mijn verbazing is er een grote bijdrage mijnerzijds zonder dat ik daar echt van weet. Mijn gedicht over Callantsoog wordt meerdere malen aangehaald en gebruikt om de sfeer en schoonheid te duiden.

De kleine fouten die in het stuk staan (mijn naam is incorrect en licht moet lucht zijn) zijn de schrijver al snel vergeven.

De volledige tekst van de column staat hieronder…


Een gat achter een duinenrij
(Guus Luijters, 23 oktober 2017, het parool)

Alles wat begint, zal ook een einde nemen. Zelfs het badseizoen, zoals dat vroeger zo mooi heette. In de weken die komen, wordt ons ­favoriete strandpaviljoen afgebroken en zullen slechts enkele palen herinneren aan de heerlijke middagen hier door­gebracht.

Voorbij, voorbij en dat uitgerekend op de mooiste dag van het jaar. Alle terrassen in het dorp zitten vol, het pannenkoekenterras, het visterras, het ijs­terras, het patatterras, ja zelfs het drankterras zit vol.

Tussen de vakantiebungalows door gaan wij richting strand­opgang. De huizen hier heten Wakkerloos, De Mossel, El Mare, Da Capo, Te Warskip, en zijn allemaal te huur. Het laatste huis is het huis van Reddingsbrigade. Daar gaat de trap omhoog naar de strandslag.

We passeren een klein meisje met een roze zonnebril en een blauw schepje in haar hand. Haar vader draagt het emmertje. Voor ons loopt een nog kleiner jongetje met zijn opa. “Hier gaan we de bocht in,” zegt het jongetje. “En wat zien we dan?” zegt zijn opa. “Het zwembad,” zegt het jongetje.

Wij zien zeven zeiltjes. Op ons strandpaviljoen staat sinds deze zomer een gedicht. Het is van Jelles Pieter en het begint zo: ‘Het is een kustplaats als zovelen, een gat achter een duinenrij,’ niet slecht, en op het terras is nog een plaatsje vrij.

We bestellen wat we altijd ­bestellen, en terwijl we van ons biertje en ons frietje genieten, kijk ik naar de roodharige kinderen aan het tafeltje naast ons die allebei een boterham met hagelslag eten. Mooier wordt het niet.

In de woorden van de dichter: ‘Maar de mooiste weidse blikken/ zijn van helmgras, licht en strand./ Daar verwaaien mijn gedachten,/ daar bestaat geluk uit zand.’ Het moet nog even december worden, maar dan staat het nieuwe seizoen weer voor de deur.


Foto van “het gat achter een duinenrij”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *